3e Klasse

Pionieren

a. Het leggen van een kruissjorring.
Toepassing: Een kruissjorring wordt gebruikt om twee palen te verbinden, die elkaar onder een rechte of bijna rechte hoek kruisen.
Methode: De mastworp waarmee je de kruissjorring begint, leg je om de verticale paal zodanig dat hij de druk die er later op komt, kan opvangen.
Bij een staande balk van ongelijke dikte, houd je het dikste eind onderaan, ook weer om de druk op te vangen.
Maak 3 complete slagen: over paal A, achter paal B, Over paal A naar beneden, en weer achter paal B (boven de mastworp). Let op, om de verticale paal: elke volgende slag binnen de vorige, om de horizontale paal: elke volgende slag buiten de vorige.
Elke slag goed aantrekken. Na 3 slagen ga je woelen. Een woeling is een slag tussen de palen door. Maak 3 woelingen en trek elke woeling goed aan.
Eindig de sjorring met een eindmastworp en leg deze zo dat hij niet kan verdraaien als de sjorring belast wordt.









b. Het leggen van een 8-vormige-sjorring
Toepassing: Met behulp van de acht-vormige-sjorring maak je  het knooppunt van een drie- of een vierpoot
Methode: Leg drie palen naast elkaar. Houdt de onderkanten gelijk. Leg de palen op een hulppaaltje, dat werkt een stuk gemakkelijker. Je begint met een mastworp op één van de palen, en maak met het touw een acht vorm rond de drie of de vier palen. Bij een acht-vormige-sjorring werk je altijd naar de top van de palen toe, Je maakt dus de acht-vorm vanaf de begin mastworp naar boven. Deze acht-vorm maak totaal 6 maal, hierna begin je met woelen tussen de palen. Het woelen doe je net als bij een kruissjorring 3 maal, let op de overgang op de middelste paal tussen de woelingen. Deze overgang moet haaks  zijn, anders neemt de stevigheid af.


Als je een drie- of vierpoot gaat uitzetten moet je er op letten dat de woelingen worden aangetrokken. Je kan hierbij letten op de overgang  van de woelingen, deze moet dan juist aangetrokken worden.

c. Gareelsteek

De gareelsteek wordt gebruikt om een niet glijdende lus in een touw te leggen. Je kunt de gareelsteek bijvoorbeeld gebruiken bij het maken van een touwladder. Zorg dan dat het "ingewikkelde" deel van de knoop onder de sport van de touwladder komt te zitten.

d. Bundelsteek

Wanneer je een aantal tentpalen of iets dergelijks bij elkaar wilt binden gebruik je de bundelsteek. Leg het touw neer zoals op de tekening is weergegeven. Hierop komen de palen te liggen. Vervolgens haal je het touw kruislings door de lussen. Alles goed strak treken en eindigen met een platte knoop.

 

 e. Opklossen van diverse soorten tuien.
Toepassing: we hebben in het materiaal hok een grote hoeveelheid aan tuien (hand-, voet-, weeftuien, stroppen, jambo’s, en pioniertouw).  Het opklossen van deze tuien gebeurd op verschillende manieren. Het opklossen dient om de tuien makke­lijk op te hangen zodat ze zo min mogelijk ruimte in beslag nemen en niet in de war raken. Als je een tui gaat gebruiken is het makkelijker een opgeklost tui mee te nemen dan een klont tui.
Methode: Hoe de diverse tuien opgeklost moeten worden, kun je het beste aan het Kader of aan de staf vragen.

f. Blokkenstel inscheren.
Toepassing: Een blokkenstel dient om verschillende onderdelen van een trappersbaan op te spannen. Voordat men een blokkenstel kan gebruiken, scheert men eerst de twee blokken in met een inscheertui.
Methode: Men legt de twee blokken op de zijkant met de achterkanten naar elkaar op een ondergrond waar ze niet vuil worden, eventueel jute gebruiken. Nu neem je het eind van het inscheertui met een touwbezetting (dit is het dunste eind). Hiermee scheer je de blokken in,  van boven naar beneden en eindigt bij het hond­svot. Begin dus altijd met inscheren bij het blok waar het hondsvot aan zit, bij de schijf die het verste  van dit hondsvot vandaan zit. Het hondsvot is het oog aan een van de blokken, hierin maak je een paalsteek.

Kaart en Kompas

a. Vier kompas handgrepen kennen.
Toepassing: Tijdens een programma zul je vaak te maken krijgen met het kompas. We gebruiken het kompas op vier verschillende manieren, ook wel vier verschillende kompashandgrepen genoemd. Als je deze handgrepen kent, kun je je makkelijker oriënteren en bepalen waar je zit. Het kompas waar we mee werken is een vloeistof gedempt kompas van het merk Recta Dp6 360º o.o. Het vloeistof in het kompas zorgt er voor dat de naald rustig beweegt en niet gaat wiebelen. De naald van dit kompas heeft een rode punt en wijst naar het Noorden. De twee witte streepjes (Noord-tekens)geven het Noorden aan van het venster.
De vier kompashandgrepen zijn:    kaart-kompas
    kompas-kaart
    terrein-kompas
    kompas-terrein
Methode: Het eerste woord bij elke handgreep geeft aan waarvan je als eerst de gegevens van hebt. Bijv.. je weet een punt en een richting op de kaart en je wilt het op het kompas overbrengen: kaart-kompas
Of je weet richting in het terrein en wilt het punt weten: kompas-terrein
Of je weet een punt in het terrein en wilt de richting weten: terrein-kompas

Kaart-kompas (plaatje 7)
Bij deze handgreep heb je de kompasnaald niet nodig, maar werk je met de N-Z lijnen in het venster. Om een richting op de kaart om te zetten naar graden op het kompas, leg je je kompas langs de richting die je wil weten, AB. De voorzijde van het kompas richting A. Nu draai  je de kompasroos totdat de N-Z lijn op de kompasroos evenwijdig loopt met de N-Z rasterlijnen op de kaart. Nu kun je de graden op de kompasroos aflezen.

Kompas- kaart
Ook hier gebruik je de N-Z lijnen in het venster. Om de richting van een punt uit te zetten in een richting op de kaart, moet je het gehele kompas net zo lang draa­ien totdat de N-Z rasterlijnen op de kaart gelijk vallen met de kompasroos N-Z lijnen. Als nu de onderkant van het kompas nog gelijk licht met het punt, dan ligt evenwijdig aan je kompas de richting op de kaart.
Terrein-kompas (plaatje 5)

Om de richting vanaf jouw positie te bepalen, klap je het spiegeltje uit het kompas. Door nu het kompas met een gestrekte arm voor je te houden, kun je door het spiegeltje in de roos kijken en de kompasnaald zien. Door nu aan de kompasroos te draaien, verdraaien ook de witte streepjes. Zo kun je de kompasnaald tussen de witte streep­jes krijgen en kun je het aantal graden op de kompasroos aflezen.

Kompas-terrein
Om een richting ingesteld op het kompas uit te zetten in een richting op het terrein, moet je zelf net zolang draaien, kijkend naar het spiegeltje van het kompas, totdat de kompasnaald tussen de twee witte streepjes komt. Houd het kompas met gestrekte arm voor je. Nu kijk je over het vizier van het kompas heen en dan heb je de richting.
 
b. Het werken met kaartschalen.
Methode: Het werken met kaartschalen is belangrijk om de afstand op de kaart om te zetten in de werkelijke afstand.  Zo kun je berekenen hoever je van een bepaald punt bent. En de werkelijke afstand omzetten naar een afstand op een kaart. De stafkaarten hebben een schaal van 1:25000, dit houdt in dat 1 cm op de kaart 25000 cm in werkelijkheid is, dus 1 cm op de kaart is 250 meter in werkelijkheid. De staf kaarten hebben horizontale en verticale rasterlijnen die 4 cm uit elkaar liggen. Deze lijnen vormen dus hokjes van 4 cm hoog en 4 cm breed.
1 cm = 250 meter dus 4 cm = 1000 meter/ 1 km, 1:50.000 : 1 cm is 500 meter in werkelijkheid, hokjes van 2 bij 2 cm. De breedte en hoogte van een hokje is altijd 1 km in werkelijkheid, ook bij andere kaartschalen.

c. Bolletje-pijltje en de kruispuntenkaart
De eisen die gelden voor het Bolletje-pijltje en de Kruispuntenkaart zijn te vinden in het hike-boekje.

Kamperen

 a. Kook- en kampvuur kunnen maken
veiligheid: Een kook- of kampvuur leg je aan op een veilige plaats. Je zorgt er onder andere voor dat er binnen een straal van 1 meter geen brandbare materialen liggen. Voordat je het vuur aan­steekt moet je ervoor zorgen dat er een gevulde emmer water in de buurt is. Vooral bij droog weer moet er goed op worden gelet dat er door vonken geen brand ontstaat.
Let op: laat het vuur nooit onbewaakt achter!
Methode: De keuze van je hout en de bouw van het vuur is afgestemd op de functie van het vuur. Zorg ervoor dat je voldoende hout hebt voor de bouw van het vuur, maar ook om het vuur aan te houden.


Het meest gebouwde vuur is een piramidevuur, je begint met hele dunne dennen takjes, dode berkenbast of harsmannetjes  of aanmaak­hout. Van dunne takjes bouw je steeds verder met steeds dikker wordende takken. Denk aan een opening aan de wind kant om het vuur in het midden aan te steken. Bouw het kookvuur niet hoger dan 50 cm, het gaat immers om de hete kolen waarop je kunt koken. Voor een kookvuur is het makkelijk om het vuur zo steil mogelijk te bouwen, hierdoor brandt het vuur heviger en is het eerder opgebrand zodat je je pannen er op kan zetten.
Een kampvuur begin je ook met een piramide, maar nu zet je het hout minder steil. Daar omheen bouw je een zgn. pagode van dikke stammen, hierdoor krijg je veel hout op een klein oppervlak. Bouw een kampvuur niet hoger dan 1 meter.
Doof het vuur door het te besprenkelen met water. Spreid het hout uit en besprenkel het daarna weer totdat er geen rook meer opstijgt. Ook kan men het vuur doven met zand.
Als het vuur gedoofd is dan schep je het as en de kolen van de vuurplaat in de asput. Zorg ervoor dat je de vuurplaats netjes  achterlaat en ruim ook de kooltjes bovenop en rond de vuurplaats op.

b. Warme drank/maaltijd op houtvuur klaarmaken.
Als het vuur hoofdzakelijk uit gloeiende kolen bestaat is het geschikt als kookvuur, gloeiende kolen zijn namelijk heter dan gewone vlammen. Om te zorgen dat je de roetaan­slag op je pan makkelijk kan verwijderen, vet je je pan in met groene zeep. Staat de pan eenmaal op het vuur dan kun je gemakkelijk de temperatuur regelen door de pan in of net naast het vuur te zetten.

c. Bagage voor een weekend-kamp inpakken.
A. Het pakken van de bagage voor een weekendkamp, is anders dan de bagage voor een 2dags-, nacht- of strandhike.
Als je een weekendkamp heb mag je er van uitgaan dat je er geen grote afstanden mee hoeft te lopen. Je kunt je bagage dus het beste inpakken in de volgorde van wat je het eerst nodig hebt.
(Toch is het handig als je je bagage zo inpakt dat je het makkelijk kan vervoeren.)
B. Mocht je toch met je tas veel gaan lopen, dan moet je er opletten dat het gewicht zo veel mogelijk verdeeld is. Het zwaartepunt van de rugzak moet tussen de schouders liggen, zo dicht mogelijk tegen je rug aan. Pak je tas zelf in, dan weet je wat je mee heb.Meer hierover leer je bij de tweede klas.

d. Veiligheids regels van het hakken met een kwartbijl.

1- Voordat je een bijl gaat gebruiken controleer je of de steel stevig in de kop vastzit, of er geen speling in de spie zit en of hij scherp is. (zo niet, meldt dit meteen aan de staf)
2- Je vervoert de bijl door tijdens het lopen de bijl bij de kop vast te pakken, met snede van de bijl naar voren en de arm gestrekt langs het lichaam.
3- Ga nooit hakken als het regent, de steel van de bijl kan glad worden en je kunt de grip op de steel verliezen.
4- Hak nooit met handschoenen aan, men kan tijdens het hakken de grip op de steel verliezen.
5- Hak nooit met een pet of bonnet op, deze kan tijdens het hakken afzakken en het gezicht belemmeren. Ook andere in de weg zittende kleding,bijv. Je das.
6- Kijk voordat je gaat hakken of er geen personen voor of achter je staan en niet binnen een cirkel met een straal van 5m staan, die gevaar kunnen lopen. Let ook op of er geen takken in de buurt zijn waar aan je met de bijl kan blijven haken.
7-  Hak geknield in actieve houding, dit houdt in dat de hoek tussen je boven- en onderbenen ongeveer 90 moet zijn. Hak met gestrekte armen en meet de afstand met de bijl voordat je gaat hakken.
8- Ga niet onnodig zwaaien met de bijl, het is een stuk gereedschap en geen speelgoed. De bijl nooit als hamer gebruiken.
9- Controleer tijdens  het gebruik van de bijl of de steel en de spie nog vast zitten. (Als dit niet het geval is moet men dit meteen melden bij de staf.)
10- laat een bijl nooit onbeschermd achter, maar zet hem met de gehele snede in het hakblok.

e. Onderdelen en onderhoud van de bijl.
De steel van een bijl is van Hickory of Essen, dit is een veerkrachtige houtsoort. Na verloop van tijd kan de steel uitdrogen. Om toch te zorgen dat de steel veerkrachtig blijft giet men onder in het gaatje van de steel lijnolie. Dit is een natuurlijke olie die de vezels in het hout slijmerig maakt en de steel weer soepel maakt, waardoor hij minder snel breekt en de steel minder trilt. De steel zit klem in het huis van de kop en zit met een spie vastgeklemd. Door weersveranderingen kan het hout van de steel uitzetten en krimpen. Door het krimpen op warme dagen (zomerkamp) zal de steel losser gaan zitten. Dit is niet erg, controleer de bijl wat vaker op afschuiven van de kop. Sla nooit zelf de spie er verder in, bij vochtig weer zet de steel weer uit. Mocht de steel in de kop los gaan zitten waarschuw dan de staf
Door het gebruik van de bijl wordt deze bot en moet hij weer geslepen worden. Het juist en scherp slijpen is nogal ingewikkeld, vandaar gebeurt het slijpen door de staf en (soms door een verkenner eerste klas.)

f. Goed hakken met een kwart-bijltje.
Echt goed hakken leer je door het vaak te doen. Maar voor je derde klas hoef je alleen te laten zien dat je de techniek redelijk beheerst en dat je op een veilige manier kunt hakken.
Vraag dus aan een staflid of hij jou het hakken wil leren.                        

g. Opzetten van een ladder
Het is bepaald niet gemakkelijk om een ladder tegen een boom met zijtakken te zetten. Maar probeer de ladder altijd tegen de stam te zetten
Zet ladders met meer dan 14 sporten, met 2 man op.
Zet een ladder altijd in een hoek van 70 graden tegen de boom: dat is de veiligste stand. Schuif een schuifladder niet te ver uit; de onderdelen moeten elkaar voldoende overlappen (min. 3 treden overlappen).
Zorg er voor dat de ladder op een vlakke, liefst harde, ondergrond staat.
De ladder moet minstens 1 m uitsteken boven de plek waar je moet werken.
Zet de ladder voordat je begint met je werkzaamheden altijd boven aan vast.
Draag schoenen met profielzolen en blijf altijd met twee voeten op de ladder staan.
Gebruik geen ladder als er een harde wind of bij onweer .

EHBO

Wat te doen bij-
1 Blaren:
- bloedblaar- niets doen
- brandblaar- na koelen en verder niets  doen, zie brandwonden
- wrijvingsblaar- zie hieronder
Blaren (op voeten of handen) kunnen zolang ze gesloten zijn worden afgedekt met een gaas­pleister. Blaren prik je alleen door als ze in de weg zitten of je er last van heb.`Het doorprikken gaat als volgt: Maak een punt van een speld steriel door hem te verhitten met bijv. Een aansteker in verband met roet aanslag met men de speld in het midden van de vlam houden.    - ontsmet rondom de blaar met betadinejodium            - prik de blaar aan de onderrand open
                        - druk het vocht er uit met een steriel gaasje
                           - schoonmaken
                        - plak de blaar af met gaaspleisters

 2 Snijwonden:
Een kleine snijwond laten schoonbloeden. Verbind hierna de wond afhankelijk van de groote met een pleister, zwaluwstaart of met een dekverband. Bij grote wonden moet men het verbinden met een snelverband en laten hechten in het ziekenhuis.                                                                                                                   
3 Schrammen:
Een schram/schaafwond moet men zeer goed schoonspoelen met water en hierna met betadi­nejodium erop doen. Hierna kan men het verbinden afhankelijk van de grootte met een dekverband of pleister. Het beste is om het niet af te dekken, hierdoor gaat de genezing sneller.

4 Kneuzing of verstuiking:
Een kneuzing kan ontstaan doordat iemand zich flink stoot, zich klemt of valt. Hierdoor is het spierweefsel onder de huid beschadigd. Wanneer een gewricht omzwicht, worden de gewrichtsbewegingen overschreden. De gewrichtsbanden worden dan uitgerekt en kunnen zelfs scheuren. Het is bij een kneuzing of verstuiking belangrijk meteen te koelen dit voorkomt het opzwellen wat uiteindelijk een groot deel van de pijn veroorzaakt, laat het slachtoffer liggen of zitten. Na het koelen  is het belangrijk dat men de wond stevig verbindt en steun geeft. Bij een verstuiking aan de voet is het belangrijk de scho­en aan te houden, deze biedt steun en als men de schoen uit trekt  krij­gt men hem meestaal niet meer aan. Het koelen kan men met leiding- of sloot water. Men kan ook gebruikmaken van een Coldpack, dit is een zakje met ijs erin.

5 Brandwonden:
Het belangrijkste als iemand zich verbrand heeft is direct te koelen. Het beste is te koelen met zacht stromend, lauw water en minstens 10 minuten lang. Als er geen kraan of douche in de buurt is, gebruik je desnoods slootwater. Iets koelen is beter dan niets.
Als er kleren op de verbrande plek zitten, moet je ze niet verwijderen, want dan kun je de huid of blaren kapot trekken.
kenmerken van een verbranding zijn:
Eerstegraads verbranding    de huid is rood en het slachtoffer heeft pijn.
Tweedegraads verbranding    op de verbrande huid zitten blaren.
Derdegraads verbranding    De huid is wit (gekookt) of zwart (verkoold).
Bij een tweede en derde graads verbranding moet men na het koelen, het verbrande lichaams­deel losjes met steriel gaas en een hydrofiele zwachtel verbinden. Zorg ervoor dat de blaren niet stukgaan, dit veroorzaakt de kans op infectie. Ga bij 2 de en 3de  verbrandingen altijd naar het ziekenhuis. Doe nooit iets op een brandwond,ook geen brand(wond)zalf.

6 Een bloedneus:
Laat het slachtoffer zitten en zorg dat hij z’n hoofd een beetje naar voren in 'schrijfhouding' houdt. Laat hem zo mogelijk zelf  met duim een wijsvinger, onder het neusbeen tegen het neus-tussen-schot de ader dichtknijpen. Laat hem dit ongeveer 5 a 10 minuten dichthouden en daarna langzaam los laten. Zorg er voor dat het slachtoffer rustig aan blijft doen en dat hij zijn neus niet gaat snuiten.

7 Vuiltje in het oog:
Laat het slachtoffer zitten en niet in het oog  wrijven. Bekijk het oog. Wanneer je het onderste ooglid omlaag trekt en het slachtoffer omhoog laat kijken, kun je een groot deel van het oog bekijken en het vuiltje zien zitten. Laat het slachtoffer zo veel mogelijk knipperen zodat hij gaat tranen, het vuiltje drijft dan naar de ooghoek toe. Mocht dit niet lukken probeer het vuiltje dan met een schone punt van een zakdoek naar de  ooghoek  bij de neus toe te vegen, nooit over de iris (zwarte punt). Mocht dit ook niet lukken dan kan men beter meteen  oogbadje het vuiltje er uit spoelen. Als het vuiltje blijft zitten of gaat irriteren, bijv. een staalsplinter, moet men het de dokter er uit laten halen.                                                                                   

Sport

Verkenners 8-kamp kennen en kunnen

De verkenners 8-kamp zal je door het jaar heen diverse keren afleggen, hierin zitten de volgende onderdelen:

1000 m loop
60 m sprint
hink-stap-sprong
hoogspringen
verspringen
kogelstoten
speerwerpen
touwklimmen

Padvinderij

vlaggen hijsen

Elke zaterdag hijsen we met openen de 3 vlaggen; de Standaard, Groepsvlag en de St. An­drew.

Het hangen van de vlag in de mast:
Je hangt de vlaggen met een dubbele schootsteek in de mast en let hierbij op dat het langste koord van de vlag onderaan zit. Het touw van de mast maakt men met een mastworp vast en slaat men de vlag met een halve slag om de mast.

hijsen:
het hijsen van de vlag gebeurt bij het openen en gaat als volgt:
Drie man van de dienst patrouille knoopt de mastworp los en slaat de vlag over de rechter schouder.
De Standaard, gehesen door de PL, moet als eerste boven zijn, 20 cm later gevolgd door de Groepsvlag en 20 cm lager de St. Andrew. Je knoopt het touw van de vlag weer vast en loopt drie passen naar achteren. Vervolgens salueer je 3 seconden lang en hierna loop je weer terug naar je patrouille.


Camerons-Duinzwervers